De andere kant van schoonheid


Vermeers Meisje met de parel staarde me aan. En toch waren het niet haar ogen die me achtervolgden toen ik het Mauritshuis verliet. Het waren de woorden van vrijheidsstrijder, schrijver en verzetsman Anton de Kom. Ik las ze op een bordje aan de wand.

In Wij slaven van Suriname schrijft hij: “…Misschien hebt gij, blanke lezer, op school geleerd hoe het Mauritshuis in Den Haag met de kostbaarste Braziliaansche houtsoorten is betimmerd. Wanneer gij dan vol bewondering voor die betimmering stil staat, verzoeken wij u te bedenken hoe het onze moeders waren, die met deze zware last op hun hoofden dag in dag uit sjouwden over heuvelachtige terreinen door poelen en moerassen, altijd bedreigd door de zweep die uw voorouders hanteerden…”

En dat raakt me. Ik lees de tekst nog eens. En nog een keer. Ineens kijk ik niet meer alleen naar de schilderijen. Vanaf dat moment loop ik anders door het gebouw, zeker als ik daarna de volgende tekst tegenkom:

“In het Mauritshuis keken we voorheen vooral met kunsthistorische blik naar Johan Maurits. We benadrukten dat hij kunstenaars en wetenschappers meenam naar Brazilië om er de natuur en de bewoners vast te leggen. Maar door alleen met kunsthistorische bril naar Johan Maurits te kijken, zien we slechts een beperkt deel van zijn geschiedenis. Hij speelde namelijk ook een belangrijke rol in de trans-Atlantische slavenhandel – op zijn gezag werden minstens 24.000 slaafgemaakte Afrikanen naar Brazilië vervoerd. Hij had zelf tientallen slaafgemaakten in zijn bezit en verrijkte zich persoonlijk en buiten het zicht van de West-Indische Compagnie (WIC) om, met de handel in mensen. En dat verhaal moeten en willen we ook vertellen.”

Ik besef hoe anders musea tegenwoordig omgaan met de verhalen achter hun collecties. Kennelijk verandert niet alleen onze blik op kunst, maar ook op de geschiedenis eromheen.

Wat me raakt, is niet alleen de geschiedenis. Die kende ik deels al. Het is dat een museum hardop erkent dat het jarenlang vooral naar één kant keek. Terwijl die andere kant er wel degelijk was.

Waarom dit me zo bijblijft? Om de schrijnende tegenstelling. Ja, er hangen mooie schilderijen. Ja, er hangen eerlijke teksten. En ja, ik blijf het Mauritshuis een prachtig gebouw vinden. Maar dan wel gebouwd op bloed, zweet en tranen. Letterlijk. Ik loop door het gebouw en geniet van de schoonheid en de sfeer anno nu. Tegelijkertijd ademen de wanden verdriet. Zijn de vloeren doordrenkt met pijn.

Mag ik hier genieten? Want hoe kun je goed maken wat zó verkeerd is gegaan? Door te praten en te luisteren? Door bordjes in musea te hangen die vertellen hoe het ooit was? Misschien is dat wel wat me het meeste raakt: dat ‘vroeger’, ver van huis en waarschijnlijk ook dichtbij, nog altijd voortduurt.

Ik vind het ingewikkeld. Ongrijpbaar ook.
Net als de ogen van Vermeers meisje.



De citaten in deze column zijn overgenomen van informatieborden in het Mauritshuis en gecontroleerd aan de hand van foto’s die tijdens het bezoek zijn gemaakt.

Voorafgaand aan publicatie kreeg het Mauritshuis de gelegenheid om op deze column te reageren en eventuele feitelijke onjuistheden te signaleren. Het museum reageerde als volgt:

“Als museum vinden we het belangrijk om het hele verhaal te vertellen, óók als het schuurt. Het onderzoek naar het verleden van Johan Maurits is nog altijd gaande, wat steeds weer nieuwe inzichten met zich meebrengt. Ook de schilderijen, die overigens niet in bezit waren van Johan Maurits, dragen zichtbare én onzichtbare verhalen over het koloniale- en slavernijverleden van Nederland met zich mee. Wil je hier meer over lezen, dan kan dat hier: Johan Maurits | Mauritshuis.”